Rijtuigen

Road Coach

bouwer: Holland & Holland, Londen

passagiers: 11 bovenop (de 4 zitplaatsen binnenin worden in principe niet gebruikt)

bouwjaar: onbekend, geschat 1890

restauratiejaar: 2006-2007

bijzonderheden: genaamd ‘The Phoenix’

 img_0798_400

Road coaches zijn sportrijtuigen uit de periode van na 1860 gebouwd in opdracht van zeer rijke Engelse liefhebbers die de ‘romantische’ tijd van de echte postkoetsen opnieuw wilden beleven. De staat van de coach die Harry aanschafte, deed de herinnering aan die tijd bepaald niet herleven. Het ijzerwerk was compleet, maar al het hout was rot en aan vervanging toe. Toch ging met de aanschaf van het halfvergane wrak een lang gekoesterde wens in vervulling. “Ik riep al jaren: als ik ooit een coach kan kopen om volledig te restaureren, zal ik dat niet laten”, vertelt de restaurateur. En zo geschiedde. Tot in de finesse is het rijtuig hersteld. Hij heeft alle kenmerken van een echte road coach: van de vaste rugleuningen, het zijwaarts wegdraaiende achterdeurtje, houten trapje, het sobere interieur, etcetera. De knechtenbank achterop heeft een apart armleuninkje en kussentje voor de guard en rust op drie steunen – een kenmerk van de zuivere H&H-road coach. De mooie accessoires op het rijtuig maken hem af: linoleum en gestanste rubber matten op de bodem, horloge, coach-lampen, hoorn en dergelijke. Zelfs de jas voor de guard en ‘the clock and the key’, het tasje met klok en sleutel zijn er bij gemaakt. Het eindresultaat van een jaar inspanning staat nu te glimmen in het koetshuis.

 

Omnibus

bouwer: Rosiere, Bazas

passagiers: 14

bouwjaar: onbekend, geschat 1890

restauratiejaar: 1995

bijzonderheden: twee dakzittingen, twee disselbomen

 img_0790_400

De Franse stad Bazas ligt op de route van Bordeaux naar Jeruzalem, en speelde daarom een belangrijke rol voor bedevaartgangers en kruisvaarders. Eeuwenlang. Het is daarom niet verwonderlijk dat de stad veel monumenten en een imposante kathedraal telt. Zoiets trekt toeristen, busladingen vol. En dit brengt het verhaal terug bij deze omnibus uit Bazas. Hoewel we het niet exact weten, is de kans erg groot dat een hoteleigenaar hem heeft besteld en gebruikt. Het grootste deel van dit model omnibussen deed dienst voor het vervoer van gasten met hun bagage van en naar bijvoorbeeld het treinstation. Een echt gebruiksrijtuig dus. Ze waren nuttig op kastelen en voor hotels. Bij deze omnibus bevinden zich bovenop het dak twee zittingen, waarvan je de hoogste kunt verwijderen. Met andere woorden: het ging de oorspronkelijke koper niet om ‘een paar’ gasten maar hij wilde vooral het maximale aantal passagiers in één ritje meenemen.

Hel apart is de mogelijkheid die dit rijtuig heeft om drie paarden naast elkaar te spannen. Zo’n aanspanning heet gewoonweg driespan, niet te verwarren met de bijzondere manier waarop de Russen drie paarden naast elkaar spannen en wat bekend staat als trojka. Drie paarden naast elkaar heeft vooral als nut het leveren van trekkracht, niet meer en niet minder. En hoe bijzonder wij het vinden, voor Franse omnibussen is het niet raar.

 

Omnibus

bouwer: Durançon Larcheveque, Parijs

passagiers:  10

bouwjaar: onbekend, geschat 1880

restauratiejaar: winter 1998/1999

bijzonderheden: koperwerk

 img_0789_400

Omnibussen zijn er in soorten en maten. Dit is een hele imposante die bovendien door de combinatie van de groene lak en het gele koperwerk erg opvalt. De kans bestaat dat hij dienst heeft gedaan op een Frans landgoed voor het vervoer van gasten en voor het maken van familieuitstapjes.

 

Omnibus

bouwer: onbekend

passagiers: 19

bouwjaar: onbekend, geschat 1900

restauratiejaar: 2000

bijzonderheden: tijdens de restauratie verlengd

 img_0806_400

In het Latijn betekent omnibus zoveel als ‘voor iedereen’. Uiteraard kent het gelijknamige rijtuig zijn grenzen, maar het is een rijtuig dat in verhouding erg veel mensen kan vervoeren. De omnibus kreeg bekendheid als echte bus in het Londense openbaar vervoer. Dat soort (knifeboard-, shillibeer- en garden-seat-) omnibussen zijn van een ander model als wat hier in het koetshuis staat. Dit is er een die prima dienst doet in een stalhouderij voor trouwpartijen en andere feestjes. De zitplaatsen binnenin zijn een uitkomst bij slecht weer, en gaat het zonnetje schijnen: geen nood, de raampjes kunnen in de sponningen zakken.

 

Built-up Break

bouwer: Holland & Holland, Londen

passagiers: 7

bouwjaar: onbekend, geschat 1905

restauratiejaar: winter 2003/2004

bijzonderheden: coach-lampen, voetrem, remschoen, rijtuighorloge

 img_0795_400

Als dit rijtuig met zijn ijzeren hoepels over de straat rolt, gonst het. Letterlijk. Het is een zwaargewicht, letterlijk, en tegelijkertijd gold een dergelijke break vroeger als de sportwagen onder de rijtuigen. De eigenaar kon hem namelijk gebruiken om eigenhandig een vierspan te rijden, dat terwijl hij zich normaalgesproken in een ‘dienstrijtuig’ door zijn koetsier liet rondrijden. Dit is een sportrijtuig. Een break is per definitie een hoog rijtuig, het voorvoegsel built-up dankt dit model aan de tweede bank achter de bok die afneembaar (of ‘opbouwbaar’) is. Achterin is plaats voor het stalpersoneel. De built-up break was met name populair in de Verenigde Staten en Engeland in de periode tussen de eeuwwisseling en de Eerste Wereldoorlog. Je zag ze met name op conoursen met een vierspan Hackney’s. Voor het showrijden dus. Dat deden niet alleen de rijke paardeneigenaren zelf, ook handelaren en stalhouders die luxe rijtuigpaarden verkochten gingen met hun twee- en vierspannen naar de shows. En dat voor een break.

 

Driekwart coupé

bouwer: Hermans & Co., Den Haag

passagiers: 4

bouwjaar: onbekend, geschat 1890

restauratiejaar: 2001

bijzonderheden: fluitje, gebogen en geslepen glas, serienummer 4739

 img_0787_400

De coupé is, ondanks wat zijn naam doet vermoeden, geen half werk. Het is een dienstrijtuig voor in de winter, gesloten en warm voor twee passagiers. De koetsier en zijn hulpje zitten op de bok, buiten in weer en wind. Dat verschil tussen personeel en passagiers is kenmerkend voor de categorie dienstrijtuigen. Een coupé is van oorsprong een soort halfdoorgesneden (‘gecoupeerd’) versie van de berline en biedt plaats aan half zoveel inzittenden (2). In Nederland hielden de rijtuigbouwers van een eeuw geleden de Franse mode, modellen en benamingen aan, vandaar dat wij de naam coupé gebruiken. In dit geval is de naam een beetje vernederlandst tot ‘driekwart coupé’ dat wil zeggen een coupé waarvan de kast aan de voorzijde gebogen is en derhalve wat méér voetenruimte heeft dan een ‘gewone’ coupé of zelfs twee smalle zitplaatjes extra. Daarmee is het al bijna weer de oorspronkelijke berline. Aardig om te weten: in Engeland staan de gewone en de driekwart coupé bekend als brougham en clarence.

Wie gebruikten zo’n coupé? Notabelen zoals doktoren en advocaten, en stalhouders die rijtuigjes verhuurden op stationspleinen en voor korte stadsritjes. Particulieren in een grote stad leasden niet zelden een complete aanspanning (coupé, paard, koetsier) voor langere periodes van een stalhouderij. Gewoon uit practische overwegingen, want weinig mensen hadden de ruimte in een grote stad voor stallen en een koetshuis.

 

Landauer

bouwer: M.L.Hermans & Co., Den Haag

passagiers: 6

bouwjaar: onbekend, geschat 1892, tweehonderd rijtuigen later dan de coupé

restauratiejaar: 2001

bijzonderheden: serienummer 4937, zogenoemd zakmodel

 img_0793_400

Een rijtuig met twee boeiende geschiedenislessen. Mattheus Leonard Hermans (1812-1876) leerde het vak van rijtuigbouwer bij de Haagse Van den Bergh, hij richtte in 1841 zijn fabriek op aan de Korte Poten in Den Haag. Hermans in Den Haag exporteerde rijtuigen naar Nederlands Indië, verkocht rijtuigen aan het Koninklijk Huis, sterker nog, Koningin Emma liet in 1898 de Crème (toen nog witte) Calèche bij deze rijtuigfabriek bouwen als cadeau voor haar dochter Wilhelmina. Zonder twijfel is Hermans de rijtuigbouwer die in Nederland het hoogst in aanzien stond. De fabriek volgde de nieuwste, Franse trends. Deze landauer is een mooi voorbeeld van het vakwerk dat Hermans leverde.

De landauer dankt zijn naam aan het Duitse vestingstadje Landau in de Pfalz. De naam duikt voor het eerst in de geschiedenis op als de Oostenrijkse koning Joseph I in 21 dagen in 1704 van Wenen naar Landau reist om de inname van de stad te bekrachtigen. Vanaf dat moment heet het rijtuig waarin de brave man reisde ‘der landauer’. Dit rijtuig had één opvallend kenmerk, namelijk de twee kappen waarmee het, afgezien van de bok, helemaal gesloten of geopend kon worden. Voor slecht en voor mooi weer. Multifunctioneel dus. De grote truc zit hem in het mechanisme van de veren die de kap spannen, en de manier waarop deuren, raampjes en kappen in elkaar grijpen. Als de kappen neergeklapt zijn, kun je de ramen in de deuren laten zakken.

 

Hollandse arrentikker

bouwer: onbekend, Nederland

passagiers: 2

bouwjaar: onbekend, geschat 1900

bijzonderheden:

 img_0786_400

Het is net een zeskantig kistje op twee glijders: de arrentikker. De natuurhistoricus Franq van Berkhey vergelijkt de tikker in 1769 met een kakstoel uit die tijd, en hij noemt het een bekrompen, ongemakkelijk ding voor een dame om in te zitten. Dat klopt. De dame zit in het kistje, de man op het zitje dat aan de achterzijde van het kistje is bevestigd. Heel simpel. De man stuurt het paard en laat zijn klompen rusten op de glijders, die aan de zijkanten zijn voorzien van verende ijzeren punten. Een ferme trap met de klompen op die punten en de tikkers remt af. Arrentikkers zijn kleine, typisch Hollandse arrensledes die bedoeld zijn voor ijsvermaak. Lollige dingen waarmee je kunt ringsteken of toertochtjes over de bevroren sloten en plassen kunt maken. Ze zijn helemaal ideaal voor het zogenoemde hardarren, om te racen over het ijs dus en dat gold als oerhollandse sport. Met één paard ervoor dat behangen is met bellen, kwasten, pluimen en andere versierselen aan het tuig. Voor de veiligheid zijn de touwen strengen van het tuig zeven maal om de lamoenstokken gedraaid.

Aan de voorzijde van deze tikker zit een uit hout gesneden paardje. Tikkers zijn vaak leuk versierd met min of meer barokke krulletjes of dierenfiguren. Een bekleding ontbreekt, maar op de bodem van het bakje is meerstal plaats voor een stoofje met daarin een warme steen – geen hete kolen, want die gaven een risico op brandende rokken en gillende vrouwen.

 

Grosvenor phaeton

bouwer: B.Veth, Arhem

passagiers: 4-6

bouwjaar: onbekend, geschat 1900

restauratiejaar: 2004/2005

bijzonderheden:

 img_0782_400

De rijtuigfabriek Henrich & Veth opent in 1840 haar deuren in Arhem. Het duurt niet lang voordat Henrich als zakenpartner opstapt en de fabriek verder draait onder de naam B.Veth, een tijd later komt Veth’s zoon in de zaak en zijn de rijtuigen uit die periode op de wieldoppen gemerkt met B.Veth & Zoon. Veel meer dan dat is niet bekend over deze voor Nederland belangrijke rijtuigbouwer. De naam grosvenor phaeton duikt voor het eerst op bij een soortgelijk rijtuig dat de Londense fabriek Barker in opdracht van de familie Grosvenor bouwde. Deze oerversie valt nog altijd te bewonderen in Eaton Hall, Chester, het huis van de familie. Het kenmerk is de bak: gesloten, met twee passagiersbankjes in de lengterichting en aan de achterzijde oplopende rugleuningen. Vier personen zitten er comfortabel in. De hele bak is luxe gestoffeerd en met name de bok is voor de koetsier erg comfortabel. Geschikt om zelf te rijden. En dat maakt dat dit rijtuig tot de familie der phaetons (per definitie sportrijtuigen met een luxe bok) behoort.

In Nederland denkt menig rijtuigliefhebber bij het zien van dit model aan de naam ‘autowagentje’. Een benaming uit de volksmond. Dat heeft te maken met het feit dat de eerste automobielen van de Amsterdamse autofabriek Spyker wat weg hadden van deze phaeton. Auto’s maken in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog behelsde niet zo veel meer dat het inbouwen van motor, overbrenging en stuur in een paardgetrokken rijtuig. Benz bouwde bijvoorbeeld zijn eerste auto van een jachtwagen.

 

Driekwart coupé

bouwer: Hermann Hoffschulte, Berlijn

passagiers: 4

bouwjaar: onbekend, geschat 1890

bijzonderheden: rem, deurhendels, fluitje, draaistel

 img_0802_400

Niets is nieuw. Luchtbanden bestaan bijvoorbeeld al sinds Thompson in 1845 die dingen uitvond. Ze voldeden alleen nog niet, vandaar dat alle rijtuigen in dit koetshuis op massief rubber of ijzeren wielbanden staan. Deze coupé staat bijvoorbeeld op rubber en dat maakt dat het rijtuig geruisloos over de kasseien van de stad rijdt, bovendien veert het een beetje. Het is dus comfortabel voor de passagiers. Maar het trekt wel zwaarder voor het paard, vandaar dat echte zware rijtuigen zoals breaks en coaches niet op rubber staan. Rubber is vooral iets voor stadsrijtuigen. Een ander kenmerk van stadsrijtuigen is het verschil in ‘spoor’: de achterwielen staan verder uit elkaar dan de voorwielen. Dat maakt het rijtuig wendbaarder in de nauwe stegen van de stad. Tegelijkertijd lopen de voor- en achterwielen, in tegenstelling tot rijtuigen die op het platteland dienst deden, niet in elkaars spoor en dat betekent dat het paard veel harder moet trekken. In de stad gaan wendbaarheid en comfort boven lichtgewicht.

Wie goed kijkt ziet leuke snufjes aan dit rijtuig zoals een blaasbalgje aan de binnenzijde. Als de passagier in het balgje drukt, hoort de koetsier een fluitje. Het is een teken om te stoppen of om andere verkapte boodschappen door te geven. Dan hoeft de passagier niet half uit het deurraam te hangen om iets tegen de koetsier te zeggen. Een ander snufje zijn de hendels onder de bok waarmee de koetsier, zonder dat hij van de bok hoeft te klimmen, de deuren kan openen. En wat te denken van de bijzondere rem: het lijkt een draaiwiel, maar is een trekrem. Het laatste snufje dat deze coupé heeft is een speciaal gepatenteerd smeersysteem op het schamel. Hoe het precies werkt? Daar moeten we nog achter komen. 

 

Lijkkoets

bouwer: assen gemerkt Spiering, Wenen

passagiers: koetsier + 1

bouwjaar: onbekend, geschat 1900

restauratiejaar: 2003

bijzonderheden: mat zwart; gegraveerd, geslepen glas

 img_0804_400

Begraven ging in klassen. De prijzen die een stalhouder in 1904 berekende varieerden van fl. 8,- voor een kind jonger dan een  jaar tot fl.350,- voor de meest luxe begrafenis van een volwassene. Voor de kinderen was er een vigilante waarbij onder de bokzitting ruimte was voor het kleine kistje, terwijl de ouders achterin het rijtuig zaten. De begrafenis kon zo beperkt blijven tot één rijtuig. Bij de eersteklas begrafenis droegen de paarden zwarte kleden en kappen over hoofd en hals. De cliënt kon ook kiezen voor paarden zonder de statige kleden, maar mèt een koetsier die een steek dwars over het hoofd droeg en voiles om de lampen. De variatie in prijs zat ‘m dus duidelijk in de franje. Tijdens de rit hoorden de lantaarns te branden. En het ging stapvoets.

Lijkkoetsen zijn er in twee modellen: zijladers en achterladers. Zijladers zijn de kostbaarste en grootste. Deze koets is een achterlader en dat wil zeggen dat de kist er van de achterzijde inschuift. Dat kan ook bijna niet anders vanwege de grote, prachtig gegraveerde ruiten aan de zijkanten. Al dat glaswerk is typisch voor een lijkkoets uit het oosten van Europa; de Nederlandse lijkkoetsen zijn vooral behangen met kleden en draperieën. Het kruis op het dak staat voor de katholieke versie, de protestantse lijkkoets heeft bovenop een urn.

 

Tilbury

bouwer: A.Ronssin, Meaux

passagiers: 2

bouwjaar: onbekend, geschat 1900

restauratiejaar: 2002

bijzonderheden:

 img_0797_400

Een beetje Hollandse boer die nog iets van de Ot-en-Sien-tijd heeft meegemaakt noemt het een tilbury. Duidelijk. Met dit rijtuig gingen zijn ouders als pasgetrouwd stel op zondag naar de kerk. Wagenbouwer Van Peet (de vader van Jan de wagenmaker die in de jaren ’70  figureerde in de Grolsch-reclame ‘Vakmanschap is Meesterschap’) uit Meerkerk bouwde voor ieder van zijn drie zoons een tilbury. Blank gelakt en van het Hollandse type. Een jong Hollands boerenstel had een tilbury. Als het gezin groeide kwam er een kerkbrik of een Utrechtse tentwagen, maar tot die tijd voldeed een tweewieler. Friesland, Drenthe, Holland, Utrecht, in ieder provincie bouwde de wagenmakers tilbury’s met streekgebonden eigenschappen. De Friese had bijvoorbeeld een sierlijke zwanenhals in het bakje, een vaste kap en was groen gelakt. Het is en was zoals wij de tilbury leerden kennen.